Al in zijn jeugd- en tienerjaren te Enschede in de jaren '50 ontplooide Jan Cremer schrijversactiviteiten, in het van origine Belgische jeugdblad Kleine Zondagsvriend (KZV), en het Nederlandse ontspanningstijdschrift Okido[17]. Trekken van zijn latere werk waren daarin al duidelijk aanwezig.
Hij genoot onderwijs aan de kunstacademies van Arnhem en Den Haag, waar hij gewoond heeft in de Annastraat.
Cremers literaire en beeldende kunst vertonen opvallende overeenkomsten. Beide richten zich op het zich losmaken van traditionele esthetiek en eeuwenoude culturele bagage, zoals de volgende citaten illustreren:
"Ik lees niet, ik word gelezen."
"Rembrandt? Wie is dat? Ik heb geen verstand van wielrenners."
Beide citaten onthullen zijn vermogen tot choqueren of op zijn minst aandacht trekken en zichzelf verkopen als een lefgozer met bewijsbaar talent (vgl. James Dean): cultuur als een last ervaren past in dit plaatje. Met name Ik Jan Cremer, maar ook zijn 'peinture barbarisme', vergelijkbaar met die van Karel Appel, choqueerden. Acties als het hangen van een kaartje van ƒ 1.000.000,- aan een schilderij (hij was toen 20 jaar)[18] en het luid toeterend langs het boekenbal crossen hebben hem tot enfant terrible van de Nederlandse beeldende kunst en literatuur gemaakt.
De literaire relevantie van Cremers werk is vooral belichaamd in Ik Jan Cremer. Centraal daarbij is de bevrijding van de idealen van de jaren 50. Het is een voorbode van de vrije seks en wilde jaren 60. Dit verklaart waarom Cremer ook buiten Nederland gelezen werd. Over het boek werden in de Tweede Kamer vragen gesteld, het werd fascistisch genoemd en voetbalvandalen werden beschuldigd van "Jan Cremerisme".
Cremer zelf werkte hier flink aan mee, omdat hij er de commerciële mogelijkheden van zag. Toen een ijverige politieman in Hengelo begin 1964 exemplaren van Ik Jan Cremer in beslag nam, verschenen in enkele dagbladen steunbetuigingen van bezorgde ouders. Ze bleken alle te zijn geschreven door Jan Cremer.
Cremer wordt door Remco Campert in diens novelle Tjeempie! of Liesje in luiletterland gepersifleerd als het Roofdier, als een van de moderne schrijvers die Liesje gaat opzoeken. Hierin wordt Cremer omschreven als een agressieve rouwdouwer voor wie iedereen in het stof kruipt. Hij weet dat het om "munnie in de pokkut en een bebie in bed" gaat en heeft in plaats van een auto dan ook een gouden helikopter.
In 1999 verscheen de verhalenbundel De Venus van Montparnasse, een verzameling van een twaalftal literaire reportages uit het journalistieke repertoire van Cremer.
Op 30 november 2000 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
In zijn boek De Hunnen -Oorlog (1983) levert Cremer felle kritiek op de regering in ballingschap in Londen, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog, die opriep tot de Spoorwegstaking van 1944[19]. Deze staking heeft volgens hem de Nederlandse Hongerwinter veroorzaakt, doordat voedsel vanuit de noordoostelijke delen van het land (o.a. aardappelen uit Groningen) niet naar de grote steden in het hongerende westen van het land vervoerd konden worden.
In 2011 was Cremer de curator van de beeldententoonstelling ArtZuid in Amsterdam.
Van 10 tot 27 juni 2013 liet Cremer ruim duizend kunstwerken, foto's, brieven en andere persoonlijke documenten en objecten uit zijn bezit veilen.
In 2020 werd de Frans Banninck Cocqpenning aan hem toegekend en wordt verleend aan Amsterdammers die zich ten minste tien jaar bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt op cultureel, maatschappelijk of economisch gebied met minstens landelijke uitstraling. Loco-burgemeester Rutger Groot Wassink noemde Cremer bij die gelegenheid een "voorganger en pleitbezorger van het vrije Amsterdam, zoals we dat nu kennen en waar iedereen welkom is".